Vrijheid van onderwijs: de hoeksteen van een kwalitatief onderwijssysteem in een pluriforme samenleving

Kennedy van der LaanDirkzwagerClifford ChanceNautaDutilh
Geschreven door: Arjan Boot
Gepubliceerd op:

Afgelopen weken is het weer volop in het nieuws: de vrijheid van onderwijs. Dit recht houdt in dat iedereen een school mag oprichten en inrichten vanuit een bepaalde richting, meestal een godsdienstige of levensbeschouwelijke visie. Bovendien wordt dit soort ‘bijzonder onderwijs’ net als het openbaar onderwijs door de overheid bekostigd. Daarvoor moet de school wel aan bepaalde kwaliteitseisen en andere voorwaarden voldoen.[1]
Het recht op vrijheid van onderwijs is te vinden in artikel 23 van onze Grondwet en is een uniek grondrecht in de wereld. De gelijkheid van financiering van bijzonder en openbaar onderwijs komt immers nergens zo voor als in Nederland. Misschien ben je nog niet zo bekend met de vrijheid van onderwijs, maar de kans is groot dat ook jij op het bijzonder onderwijs hebt gezeten. Volgens het CBS zit namelijk 7 op de 10 scholieren op het bijzonder onderwijs.[2] Dat zijn naast veel gematigde katholieke of protestants-christelijke scholen, ook islamitische en reformatorische scholen. Bovendien behoren scholen met een bepaalde onderwijskundige grondslag, zoals montessori- of daltonscholen, tot het bijzonder onderwijs.[3]

Problemen van de vrijheid van onderwijs
Waar zit nu echter het probleem van de vrijheid van onderwijs? Klaas Dijkhoff, fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer, ziet het probleem vooral bij salafistische schoolbesturen[4]. Als voorbeeld daarvan noemt hij het Cornelius Haga Lyceum, een islamitische middelbare school in Amsterdam. Volgens Dijkhoff verspreidt de school waarden die in strijd zijn met de rechtsstaatgedachte, en dat is ongewenst. De overheid kan nu echter niet goed ingrijpen, vanwege de vrijheid van inrichting van het onderwijs. De overheid, oftewel de Inspectie, mag zich niet bemoeien met de godsdienstige of levensbeschouwelijke invulling die een school aan haar onderwijs geeft.[5] Om deze scholen beter te kunnen aanpakken, gaan er steeds meer stemmen op om de vrijheid van onderwijs te ‘moderniseren’ of zelfs af te schaffen.
Deze voorgenomen modernisatie geeft echter een volgend probleem. Dat heeft te maken met het feit dat de vrijheid van onderwijs in de Grondwet staat en dat de Grondwet lastig is te wijzigen.[6] Er is namelijk een tweederdemeerderheid nodig in beide Kamers in twee zittingsperioden. Bovendien zorgt de totstandkoming van dit grondrecht voor het beladen karakter dat de discussie nu draagt.

Totstandkoming van artikel 23
Om dat uit te leggen, moeten we even terug in de geschiedenis. In het jaar 1806 werd de eerste Scholenwet vastgesteld.[7] Hierin werd het onderscheid gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs: openbaar onderwijs werd door de overheid gesubsidieerd en bijzonder onderwijs niet. In 1857 werd een nieuwe onderwijswet gemaakt, ter wijziging van de Grondwet. De subsidie voor het bijzonder onderwijs werd hier echter nog niet geregeld, waardoor de katholieken en protestanten zich langzamerhand verenigden om samen de subsidie voor het bijzonder onderwijs te realiseren. In 1887 deed de katholieke voorman Schaepman een wetsvoorstel hiertoe, maar dat strandde in de liberale Eerste Kamer. Enkele jaren later kwamen de confessionelen aan de macht en maakte eerst een gedeeltelijke subsidiëring van bijzonder onderwijs mogelijk. Later deed het kabinet van Abraham Kuyper, toenmalig leider van de ARP, een voorstel tot financiële gelijkheid van openbaar en bijzonder onderwijs. Dit voorstel werd aangenomen door beide Kamers, aangezien de confessionelen overal de meerderheid hadden. Op deze manier kwam in 1917 een einde aan de welbekende ‘scholenstrijd’, die voor veel gescheidenheid in Nederland had gezorgd. De liberalen gingen hier ook in mee, omdat ze de grote polarisatie in het land wilde repareren.
De geschiedenis van artikel 23 van de Grondwet is dus zo belangrijk, omdat de vrijheid van onderwijs zowat het bestaansrecht is van de confessionele partijen. Hierdoor is de vrijheid van onderwijs van fundamentele waarde voor de partijen CDA, ChristenUnie en SGP. Het is daarom de verwachting dat deze partijen nooit akkoord zullen gaan met aantasting van dit zwaarbevochten recht. Bovendien is de verantwoordelijk minister, Arie Slob, lid van de ChristenUnie en hij zal dus hoogstwaarschijnlijk geen drastische maatregelen gaan nemen ten opzichte van de vrijheid van onderwijs.
Los gezien van de mogelijke problemen rondom aanpassing van de vrijheid van onderwijs, is het inhoudelijk ongewenst de vrijheid van onderwijs af te schaffen. Artikel 23 van de Grondwet moet dan ook behouden blijven.

Vrijheid van onderwijs stimuleert de kwaliteit
Ten eerste moet de politiek de vrijheid van onderwijs in stand houden, omdat de keuzevrijheid de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt. Het is een groot recht voor ouders om te kunnen kiezen naar welke school hun kind staat. Dat staat ook vastgelegd in internationale wetgeving, zoals in artikel 2 van het Eerste protocol bij het EVRM. Doordat ouders vrij kunnen kiezen naar welke school hun kind gaat, kunnen ze hun kind ook naar een andere school sturen als de eerste school hen niet bevalt. Scholen worden daardoor gestimuleerd kwaliteit te leveren. Hierbij is juist de financiële gelijkheid van het openbaar en bijzonder onderwijs belangrijk. Doordat het ouders niet meer kost om een kind naar het openbaar of bijzonder onderwijs te sturen, hoeven ouders niet te kiezen tussen gratis openbaar of duur particulier onderwijs.[8] Hierdoor hebben ouders keuze uit een zeer gedifferentieerd aanbod aan scholen. Bovendien is het belangrijk voor ouders om een school te kunnen kiezen die les geeft op een manier die hen bevalt. In een systeem van enkel openbaar onderwijs zou dat veel lastiger zijn, omdat het onderwijs overheid gestuurd is en dus op elkaar lijkt. Daarom is de financiële gelijkheid van het bijzonder onderwijs van grote waarde.

Segregatie door vrijheid van onderwijs?
Tegenstanders zeggen echter dat de vrijheid van onderwijs tot meer segregatie leidt.[9] De reden hiervoor is te vinden bij scholen die gedachtegoed verspreiden onder leerlingen dat in strijd is met de burgerschapsidealen. Gert Jan Geling noemt in HP/de Tijd voorbeelden van scholen die afwijkende denkbeelden overdragen over homoseksualiteit en man-vrouwverhoudingen.[10] De vraag is echter of het afschaffen van de vrijheid van onderwijs de oplossing is. Juist bij het afschaffen van dit grondrecht kan de segregatie aannemelijk vergroten. Bij het ontbreken van financiële gelijkheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs, zal het aandeel particulier gefinancierde scholen enorm stijgen. Dit terwijl Nederland nu slechts 3% particuliere scholen heeft in het totale aanbod scholen.[11] Bij particuliere financiering zullen scholen veel meer geld krijgen uit hun eigen kringen, zoals de kerk of moskee. Dit versterkt de afscheiding tussen verschillende bevolkingsgroepen in de samenleving en dus de segregatie. Juist de vrijheid van onderwijs versterkt burgerschap, volgens de visie van Thorbecke.[12]“Als mensen met sterk verschillende opvattingen en doelen zelf scholen stichten en onderwijs geven, zorgt dat juist voor een brede betrokkenheid bij de koers en de inrichting van de samenleving en daarmee voor burgerschap”, schrijven Ab Klink en Maxime Verhagen over Thorbecke in de Volkskrant. In een pluriforme samenleving is het dus belangrijk om elkaar de ruimte te bieden. Daarom moet de vrijheid van oprichting en inrichting van onderwijs behouden blijven.

Inspectie heeft genoeg middelen
Een ander aspect waar tegenstanders zich zorgen over maken, is het toezicht dat de overheid nu op het bijzonder onderwijs kan houden.[13] De Inspectie mag zich immers, zoals eerder genoemd, niet bemoeien met de godsdienstige of levensbeschouwelijke inhoud die een school aan haar onderwijs geeft. Desalniettemin kan de Inspectie de kwaliteit van het onderwijs net zo goed beoordelen als op een openbare school. Alleen de godsdienstige aspecten mag de Inspectie niet beoordelen, wat ook niet zo gek is. Zou de Inspectie dat wel doen, dan raakt zij het meest fundamentele van een school in het bijzonder onderwijs. De vrijheid van inrichting is een groot goed, omdat ouders moeten kunnen kiezen op welke manier en in welke omgeving hun kind wordt onderwezen. Toch zorgt de vrijheid van inrichting voor een blinde vlek over de school voor de Inspectie. Dat kinderen mogelijk ondemocratische waarden leren op school, is onwenselijk en moet aangepakt worden. Het is daarom belangrijk dat elke scholier, gelovig of niet-gelovig kritisch leert na denken en weet in wat voor maatschappij hij of zij opgroeit. Volgens Johan Lievens, assistent-hoogleraar rechtsgeleerdheid aan de VU, heeft de wetgever dit reeds in de Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen[14]. Het onderwijs moet er volgens deze wet ‘mede op gericht zijn om actief burgerschap en sociale integratie te bevorderen in een pluriforme samenleving’. De vrijheid van inrichting is volgens Lievens dus niet onbegrensd en de Inspectie dus gewoon toezicht houden in het geval een school te weinig doet aan sociale integratie en burgerschap.
Om vervolgens alsnog de hele vrijheid van onderwijs in de prullenbak te gooien, is overdreven. Er is namelijk maar een zeer klein aantal scholen in het bijzonder onderwijs waar dit soort denkbeelden verspreid worden, de rest van de scholen zou daar niet de dupe van mogen worden. Daarom is het enkel van belang dat de overheid meer aandacht besteed aan lessen burgerschap en hierop toeziet.
Samenvattend, de vrijheid van onderwijs is een beladen onderwerp. Er is veel kritiek, maar het afschaffen van artikel 23 Grondwet is erg moeizaam door de lastige wijzigingsprocedure van de Grondwet en de positie van de confessionele partijen. De vrijheid van onderwijs moet dan ook behouden blijven, omdat het de kwaliteit van ons onderwijs ten goede komt. Daarbij zou afschaffing van het grondrecht waarschijnlijk alleen maar leiden tot meer segregatie. Hoewel de Inspectie de kwaliteit van het onderwijs kan controleren, kan zij de godsdienstige of levensbeschouwelijke aspecten van het onderwijs niet beoordelen. Toch heeft de wetgever de Inspectie reeds de ruimte te geven om in te grijpen bij een onvoldoende aandacht voor burgerschap. Daarom is het aantasten van de vrijheid van inrichting niet noodzakelijk en moet die behouden blijven. De vrijheid van onderwijs blijft daarmee in deze pluriforme samenleving een fundamentele hoeksteen voor kwalitatief onderwijs

[1] D.E. Bunschoten, in: T&C Grondwet en Statuut, Deventer: Kluwer 2018, art. 23 Gw, aant. 4 (online, bijgewerkt 15 augustus 2018)

[2] ‘Ruim 70 procent leerlingen naar bijzonder onderwijs’, cbs.nl 28 april 2019

[3] ‘Openbaar en bijzonder onderwijs’, rijksoverheid.nl 28 april 2019

[4] J. Jonker en W. de Winther, ‘Volgens Dijkhoff moet roer om bij VVD’, Telegraaf 20 april 2019

[5] ‘Openbaar en bijzonder onderwijs’, rijksoverheid.nl 28 april 2019

[6] ‘Procedure Grondwetsherziening’, denederlandsegrondwet.nl 2 mei 2019

[7] ‘Vrijheid van onderwijs in de Grondwet’, denederlandsegrondwet.nl 30 april 2019

[8]  A. Vink, ‘Waarom de vrijheid van onderwijs niet heilig is’, De Correspondent 19 april 2019

[9] J. Jonker en W. de Winther, ‘Volgens Dijkhoff moet roer om bij VVD’, Telegraaf 20 april 2019

[10] R. van der Zee, ‘Is het tijd voor een nieuwe schoolstrijd?’, HP/De Tijd 1 mei 2019

[11] A. Vink, ‘Waarom de vrijheid van onderwijs niet heilig is’, De Correspondent 19 april 2019

[12] A. Klink en M. Verhagen, ‘Democratie kan voordeel doen met bijzonder onderwijs’, De Volkskrant 24 maart 2005

[13] A. Dujardin, ‘Is de vrijheid van onderwijs nog wel van deze tijd?’, Trouw 28 april 2019

[14] J. Lievens, ‘Inperken van vrijheid van onderwijs is niet de oplossing’, Trouw 22 maart 2019

HVG Law LLPVan DoorneHouthoffDLA PiperBaker McKenzie
Inloggenclose