De realiteit van grooming

De realiteit van grooming

Vorige artikel 

De digitalisering van de maatschappij brengt een verscheidenheid aan veranderingen met zich mee in ieder rechtsgebied. Hoewel het acclimatiseren aan sommige van deze veranderingen organisch lijkt te gaan, zijn er meer waarbij de nodige mate aan controverse komt kijken. Het fenomeen ‘grooming’, en de kwalificatie-eisen hiervan, behoort tot deze laatste categorie. 

CKohYQl2YbWlk3r8XUSW-oFa9JTU1L22AUSgmqCSKISDmLguiX6_0sVxOs_nEV0GqSlgpgg2VJpouyc0glku4He274Kck-ciJKocZtmZgs0wKAEUbb0jvKuKxCYHvWAAJ9umOaw

Ten eerste is het belangrijk om een goed beeld te schetsen van wat ‘grooming’ daadwerkelijk behelst. ‘Grooming’ is een Engelse term voor paaien of verleiden. Het woord wordt tegenwoordig vaak in een andere betekenis gebruikt. Het gaat dan over het via internet benaderen en verleiden van minderjarigen onder de 16 jaar door een volwassene met als uiteindelijk doel seksueel contact te hebben. Grooming is dus in feite een moderne vorm van kinderlokken. Groomers zijn actief op websites die kinderen bezoeken. Denk aan de populaire social media maar ook aan spelletjes-sites. Zo is het online-chatplatform Discord sterk geassocieerd met het fenomeen.¹Vaak gaat het bij grooming om een langlopend proces waarbij de volwassene door regelmatig chat- en e-mailcontact langzaam het vertrouwen wint van het kind. In veel gevallen doet de volwassene zich daarbij voor als een leeftijdsgenootje. Zo probeert de volwassene de seksuele drempels en remmen van het kind te verlagen.²

Dat een volwassene op een listige manier seksuele interacties met een minderjarige uit probeert te lokken is drukkend onethisch, maar vanaf welk punt is het ook strafbaar? In deze bijdrage zal worden behandeld hoe ver een verdachte moet gaan in de interactie met het slachtoffer voordat hij strafbaar kan worden gesteld. Daarna zal worden gekeken naar hoe dit zit wanneer het gaat om een 40-jarige die in contact denkt te staan met een 12-jarige, maar in de realiteit contact heeft met een kunstmatige intelligentie die wordt ingezet om groomers uit te lokken. Om deze situaties adequaat toe te kunnen lichten is het belangrijk om eerst in te gaan op het leerstuk van de ondeugdelijke poging en de wetshistorie van artikel 248e Sr.

3WC_cdx3uH1vbp6U1yS9-nt7catwj2eXVUiM6tbCVC2PSR4OsUsG59byQKojlxm1uekAGDSZEnV_Q-kaY8VczKN-JxD1SiDQx5eayQ1njrliPzISmEYsyM0W3K1mxLMgfMtdewU

Is ‘grooming’ een voorbereidingsdelict?

De jurisprudentie over de poging tot grooming loopt sterk uiteen. Dit komt doordat er binnen de rechtspraak discussie bestaat omtrent de toepassing van dogmatische leerstukken van het strafrecht op het relatief nieuwe delict. Volgens de pijlers van het materiële strafrecht is het namelijk niet mogelijk om een poging tot voorbereiding strafbaar te stellen.³ Om een poging tot grooming strafbaar te kunnen is het dus vereist dat artikel 248e Sr niet kan worden gekwalificeerd als een voorbereidingsdelict. Volgens een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant mist het gecodificeerde artikel hier dan ook de benodigde aanknopingspunten voor.⁴ Middels de toepassing van een wetshistorische interpretatie is de rechtbank Oost-Brabant echter tot het oordeel gekomen dat grooming een voorbereidingsdelict is. De wetgever heeft in de memorie van toelichting omtrent het leerstuk zich uitgelaten over het feit dat pas sprake is van grooming op het moment dat er plannen zijn gemaakt om seksueel misbruik in de fysieke wereld te verwezenlijken.⁵ Wanneer dit geïnterpreteerd als een concrete voorbereidingshandeling kan de poging tot grooming niet strafbaar worden gesteld. 

De ratio hierachter schuilt in de handhavingsdimensie. Men zou uit de memorie van toelichting op kunnen maken dat de wetgever hoge eisen heeft willen stellen aan de kwalificatie van grooming. Een verschuiving van strafbaarheid naar de voorfase zou de kwalificatie van het delict verder vervagen. Dit zou vervolgens de handhaafbaarheid van het optreden hiertegen verslechteren.⁶ Met kwalificatie vanaf de concrete voorbereidingshandeling, het plannen van een “seksdate”, zou de wetgever dus kunnen doelen op het waarborgen van handhaafbaarheid en rechtszekerheid. Dit omdat gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden en de waarheidsvinding bij de potentiële voorbereiding tot grooming complex is.

lbVgZmzWjJ25DJIMDs5WBrKHpCwlr6IJk5Ejvkie0y_vH0FO2-LSn7tV-aYp5HwX6bgAfQQbc6q5fLGjsCXIbUYTkbxNCGlZRSa5Zy4JT1AU9lJmRJISljSe_VpLEFYL1Pw5JVo

Dit is echter maar een zijde van de discussie. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft zich immers anders uitgelaten over de strafbaarheid van de poging tot grooming. Zij kwamen terug op het punt wat werd gemaakt door de rechtbank Oost-Brabant in een voorafgaande zaak. Hoewel de rechtbank toen tot de conclusie kwam dat de memorie van toelichting het ongekwalificeerde karakter van artikel 248e Sr aan vulde, ging het hof ’s-Hertogenbosch hier niet in mee.⁷ Het hof oordeelde dat de wetgever zich concreet had moeten uitlaten over de vraag of grooming te kwalificeren valt als voorbereidingsdelict. Aangezien deze dit niet heeft gedaan en ook geen gebruik heeft gemaakt van de opt-out regeling oordeelde het Hof dat zowel artikel 45 Sr, de wetshistorie en het verdrag van Lanzarote zich niet verzetten tegen het strafbaar stellen van de poging tot grooming.⁸ Deze opvatting werd dan ook door de Hoge Raad bekrachtigt.9

De ratio achter deze interpretatie kan schuilen achter een ander beeld van de gevolgen van grooming. Dat grooming een voorbereiding is op het toebrengen van leed in de fysieke wereld, staat niet ter discussie. Waar wel op ingezoomd dient te worden is de vraag of het toebrengen van significant leed niet al begint bij het groomen zelf. Vaak is het zo dat slachtoffers die gegroomd zijn zonder de dader te ontmoeten al blijvende psychologische schade zijn toegebracht. Dit omdat het beeld van seksualiteit en vertrouwen van een minderjarige dikwijls geschaad is.10 Met dit in het achterhoofd kan het strafbaar stellen van de poging tot grooming begrijpelijkerwijs gerechtvaardigd worden geacht door sommigen.

Grooming van een niet-bestaand slachtoffer

Hoewel het hiervoor genoemde een significante mate van complexiteit met zich meebrengt, is er nog een aspect van grooming wat met veel controverse gepaard gaat. Het gaat hier om het groomen van een slachtoffer wat niet bestaat. 

Er zijn verscheidene artikelen geschreven die zich uitlaten over de strafbaarheid van het groomen van een niet-bestaand slachtoffer. Denk bijvoorbeeld aan een kunstmatige intelligentie of een agent die zich voordoet als een minderjarige.¹¹ Deze uiteenzettingen grijpen terug op de kern van het strafrecht, op het idee dat gedachten vrij zouden moeten zijn en dat niemand vervolgd kan worden voor een strafbaar feit wat hij of zij niet gepleegd heeft.¹² We hanteren in Nederland immers een daadstrafrecht en geen intentiestrafrecht. Voor beide kanten van de discussie is er in overvloed geschreven. Met oogmerk op beknoptheid wil ik in dit artikel slechts inzoomen op het volgende: Welke ontwikkelingen zijn in de rechtspraak zelf terug te vinden?

Rechtspreken conform de wetsgeschiedenis zou ertoe leiden dat een absolute ondeugdelijkheid van het object zou moeten leiden tot straffeloosheid. Wanneer men kijkt naar de ontwikkelingen in de jurisprudentie kan men stellen dat de rechtspraak zelf afstand heeft genomen van de parlementaire geschiedenis omtrent het leerstuk van het absoluut ondeugdelijke object.¹³ In de zaak HR ondeugdelijke voorbereiding is geoordeeld dat de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen in het licht van de intenties van de dader moeten worden geplaatst.¹⁴ Naar mijns inziens is dit een benadering die beter aansluit op de huidige maatschappij. Dit, omdat de façades die gepaard gaan met de digitale wereld verwezenlijken dat intentie en perceptie met volle overtuiging kunnen voortbestaan naast absoluut ondeugdelijke objecten.¹⁵ Iedere strafbaarstelling moet tot in een bepaalde mate geobjectiveerd kunnen worden. In een situatie zoals hier beschreven is het doel van de dader voor een ieder duidelijk.

Toekomstbeeld

Concluderend kan men stellen dat de controverse omtrent grooming en poging daartoe voor een groot gedeelte voortkomt uit een enkele oorzaak: de onbepaaldheid van de wetgever. Een aanpassing aan 248e Sr die toegespitst is op de delictskwalificatie van grooming zou een gezonde mate van homogenisering aan de discussie teweeg kunnen brengen. Ook zou dit door middel van gelijktrekking de rechtszekerheid kunnen bevorderen. De bezwarende factor blijkt echter de praktische dimensie van handhaving te zijn. Het verschuiven van strafbaarheid naar de voorfase is naar alle schijn de meest rechtvaardige oplossing, maar de lijn al trekken bij het sturen van opdringerige seksueel getinte opmerkingen lijkt een onmogelijkheid te zijn. Wanneer de controverse rondom poging tot grooming uitgevlakt is en het leerstuk niet als voorbereidingsdelict wordt gehanteerd, zou het verzachten van andere knelpunten rondom grooming snel kunnen volgen. De shift in het strafrecht naar facetten van intentiestrafrecht is immers geleidelijk aan het plaatsvinden. Een analoge toepassing op het groomen van een niet-bestaand slachtoffer lijkt dan ook in het organische verlengde hiervan te liggen.

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

  1. Porter, S. (2022, 25 februari). Discord Is A Haven For Gamers—And Sexual Exploiters. NCOSE. Geraadpleegd op 21 maart 2022, van https://endsexualexploitation.org/articles/discord-is-a-haven-for-gamers-and-sexual-exploiters/
  2. De Rechtspraak. (2017, 25 januari). Grooming is moderne vorm van kinderlokken. Rechtspraak | Nieuws. Geraadpleegd op 21 maart 2022, van https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Grooming-is-moderne-vorm-van-kinderlokken.aspx
  3. Handelingen II 1990/91, 22 268 nr. 3, blz. 13 Handelingen II 2008/9, 31 810 nr. 3, blz. 6-7.
  4. ECLI:NL:RBOBR:2015:4757.
  5. Kamerstukken II, 2008-2009, 31 810 nr. 3, p. 6-7.
  6.  ECLI:NL:RBOBR:2014:7494.
  7. ECLI:NL:GHSHE:2017:5513.
  8. Kamerstukken II 2015/16, 34 372, nr. 4 (Wet computercriminaliteit III).
  9.  ECLI:NL:HR:2019:1736.
  10. .Ten Voorde, J. (2017). Schade in de virtuele wereld: de casus virtuele grooming. Netherlands Journal of Legal Philosophy, 46(2), 177–195. https://doi.org/10.5553/njlp/221307132017046002005
  11. https://cleerdin-hamer.nl/wp-content/uploads/2017/10/54.Artikel_Grijsen_Polman_De_Lange.pdf
  12. Artikel 1 Sr
  13. ECLI:NL:PHR:2014:427.
  14. HR 27-05-2014, ECLI:NL:HR:2014:1233, m.nt. N. Rozemond.
  15. https://solv.nl/blog/ook-chat-met-robot-of-lokpuber-moet-strafbaar-kunnen-zijn/
Kennedy van der LaanDe Nederlandsche BankPels RijckenTaylor Wessing
DLA PiperVan DoorneBaker McKenzieHVG Law LLP
Inloggenclose