Wettelijke bescherming voor de anonieme bronnen van journalisten

Het Hof heeft de taak van journalisten herhaaldelijk als ‘informatieleverancier’ en ‘openbare waakhond’ omschreven. Journalisten moet het publiek voorzien van de juiste informatie en informeren over zaken van algemeen belang.5 Misschien wel het bekendste voorbeeld is het Watergateschandaal: twee jonge journalisten van The Washingston Post legden bloot hoe Richard Nixon, de latere president van Amerika, de campagne van de Democratische partij op ongeoorloofde wijze saboteerde.

Om dit soort zaken aan de kaak te stellen, moeten journalisten, indien noodzakelijk, hun bronnen effectief kunnen beschermen. Overheidsdiensten mogen daarom niet zonder meer hun ‘bijzondere bevoegdheden’ (zoals afluisteren en volgen) inzetten om journalistieke bronnen te ontmaskeren. Zonder een dergelijke bescherming zullen bronnen veel minder snel geneigd zijn informatie met journalisten te delen, wat zeer negatieve consequenties voor de nieuwsvoorziening heeft. Dat ondermijnt de rol als waakhond van de pers.

Toch is Nederland de afgelopen jaren meerdere malen door het Hof op de vingers getikt in het kader van journalistieke bronbescherming.

Jurisprudentie EHRM

Sinds het Goodwin-arrest in 1996, waarin voor het eerst werd bepaald dat het recht van journalisten om hun bronnen te beschermen voortvloeit uit artikel 10 EVRM, is er een hele rits aan arresten verschenen over het journalistieke brongeheim.6 Het brongeheim geldt in zowel het strafrecht als het civiele en bestuursrecht. Van een journalist mag verlangd worden dat hij kan aantonen dat zijn bron betrouwbaar is. Tegelijkertijd moet de journalist kunnen bewijzen dat hij uitdrukkelijk met zijn bron heeft afgesproken dat zijn identiteit niet zal worden onthuld.7

Over het algemeen is het EHRM zeer kritisch ten aanzien van de wijze waarop dwangmaatregelen (zoals afluisteren en volgen) in de wet zijn geregeld en wie deze bevoegdheden mag uitoefenen. Korthals Altes constateert in de uitspraken van het Hof vier niveaus, waarbij een glijdende schaal van de noodzaak van bronbescherming wordt gehanteerd. Doorzoekingen (van huizen) en inbeslagnemingen (van persoonlijke spullen) worden het meest ingrijpend gevonden. Daarna volgen het horen van getuigen over een anonieme bron en inbeslagnemingen.8

Belang van een wettelijke regeling

Hoewel de bescherming van het EVRM ruim is, bestaat er, gezien het in de inleiding genoemde wetsvoorstel,  kennelijk toch behoefte aan een wettelijke regeling. De voorstanders benadrukken het belang om potentiële bronnen ervan te overtuigen dat hun informatie bij journalisten veilig is.9 Daar valt wel wat voor te zeggen, want hoewel de rechtspraak van het EHRM duidelijk lijkt te zijn, is Nederland inmiddels drie keer op de vingers getikt en oordelen ook lagere rechters niet altijd volgens de regels van het Europese Hof. Een wettelijke regeling zou daarom bijdragen aan de rechtszekerheid.

Tegenstanders wijzen met name op de flexibiliteit van (Europese) jurisprudentie, waarbij met alle feiten en omstandigheden van het geval rekening kan worden gehouden. Volgens hen kan wetgeving verstarrend werken, waardoor het moeilijk wordt om de uitspraken van het Europese Hof te volgen.10 Bovendien zou het slechts gaan om een symbolische daad, aangezien de codificatie van reeds bestaande en geldende rechtsregels weinig meerwaarde kent. Dat was voor de voormalige minister van Justitie, Hirsch Ballin, in 2007 nog reden om af te zien van een wetsvoorstel.11

Inhoud van het wetsvoorstel

Op 30 januari 2018 feliciteert D66-Kamerlid Groothuizen minister Grapperhaus: “Hij toont vandaag dat Justitie in woord en daad voorop staat bij zijn ministerie want na vele, vele jaren spreken we vandaag eindelijk weer over de bescherming van bronnen van journalisten.”12 Nadat het voorstel in 2013 werd ingediend, werd op 6 februari 2018 het wetsvoorstel 34032 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot vastlegging van het recht op bronbescherming bij vrije nieuwsgaring eindelijk aangenomen in de Tweede Kamer.13

Wat behelst het voorstel? De kernbepaling van het voorstel is het nieuwe artikel 218a lid 1 Sv, waarin staat: ‘Getuigen die als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring, beschikken over gegevens van personen die deze gegevens ter openbaarmaking hebben verstrekt, kunnen zich verschonen van het beantwoorden van vragen over de herkomst van die gegevens’. Journalisten die voor bescherming in aanmerking komen, zijn dus een journalist óf publicist, die bovendien ‘in het kader van nieuwsgaring’ over bepaalde gegevens beschikt. Deze journalist of publicist kan zich verschonen van vragen over de herkomst van gegevens waarover hij of zij beschikt.

Een journalist komt evenwel geen recht op verschoning toe als ‘de rechter-commissaris (…) oordeelt dat bij het onbeantwoord blijven van vragen aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht’ (artikel 218a lid 2 Sv). De rechter-commissaris mag het verschoningsrecht opzij schuiven indien sprake is van een groter maatschappelijk belang. Volgens de memorie van toelichting wordt het maatschappelijk belang als volgt getoetst: het betreft de bescherming van de fysieke integriteit van personen, de informatie is cruciaal voor die bescherming en de gevraagde informatie kan op geen andere wijze worden verkregen.14

Wie is een journalist?

In een brief aan de Tweede Kamer een aantal jaar geleden werd aangekondigd dat de rechterlijke bescherming van het brongeheim beperkt zou worden tot ‘degenen die beroepsmatig als journalist informatie verzamelen, verspreiden of publiceren’.  Dommering voorspelde reeds toen al dat het volgende hoofdstuk zou gaan over de vraag wat een journalist precies is. Met de opkomst van onder meer bloggers is dat een uitdagende vraag om te beantwoorden.15

De Raad van State geeft in zijn advies aan het begrip ‘journalist’ relatief onbepaald is, maar nog altijd duidelijker dan een definitie waarbij de grenzen ruimer getrokken worden, bijvoorbeeld door het toevoegen van ‘publicist’ – zoals gebeurd is. De Raad heeft in zijn advies de voorkeur uitgesproken voor een definitie die bronbescherming toekent aan ‘personen die beroepsmatig of regelmatig als journalist in het kader van nieuwsgaring informatie verzamelen of verspreiden’.16

De minister geeft aan zich bewust te zijn van de maatschappelijke ontwikkelingen op het terrein van de media en geeft daarom de voorkeur aan een ruimere definitie, waar ook de publicist onder valt. Een journalist of publicist kan zich beroepen op bronbescherming als deze ‘een rechtstreekse bijdrage levert tot het verzamelen, redigeren, produceren of verspreiden van informatie voor het publiek via een medium’.17

Conclusie

Na een aantal tikken van het Europese Hof voegt Nederland woord bij daad en komt het met een wettelijke regeling. Aangezien de Europese jurisprudentie zo breed ontwikkeld is, is een wetsvoorstel misschien een tikkeltje symbolisch, maar heeft het desalniettemin meerwaarde. Het is een stevig steuntje in de rug voor journalisten en hun bronnen en biedt bovendien handvatten voor de rechtspraktijk.

In de Tweede Kamer is het wetsvoorstel met enthousiasme ontvangen. De discussie zal zich nu voortzetten in de Eerste Kamer. Echt controversieel is het voorstel niet, dus vermoedelijk zal het ook daar worden aangenomen. Toch is het met het oog op de wetsgeschiedenis interessant hoe de minister zal antwoorden op vragen over de reikwijdte van de termen ‘journalist of publicist’ en de afweging tussen enerzijds het verschoningsrecht en anderzijds het zwaarwegende maatschappelijke belang. Voor zover de minister niet in staat is die vragen volledig te beantwoorden, zal dat door het voeren van gerechtelijke procedures verder uitgekiend worden. Met dit voorstel is daarvoor alvast een stevig fundament gelegd.  

Voetnoten

  1. Zie nieuwsbericht nu.nl: https://www.nu.nl/buitenland/4495167/trump-wil-media-geen-anonieme-bronnen-meer-gebruiken.html (laatst geraadpleegd: 25 februari 2018).
  2. Zie onder andere: EHRM 27 maart 1996, nr. 17488/91, ECLI:NL:XX:1996:AD2519 (Goodwin/UK), m.nt. Korthals Altes); EHRM 22 november 2007, nr. 64752/01, ELI:NL:XX:2007:BC0481 (Voskuil/Nederland).
  3. EHRM 22 november 2007, nr. 64752/01, ELI:NL:XX:2007:BC0481 (Voskuil/Nederland); EHRM 14 september 2010, nr. 38224/03, ECLI:NL:XX:2010:BO7625 (Sanoma/Nederland); EHRM 22 november 2012, ECLI:NL:XX:2012:BY6026 (Telegraaf Media/Nederland).
  4. Stemmingsoverzicht betreffende Wetsvoorstel 34032, d.d. 6 februari 2018.
  5. EHRM 22 november 2007, nr. 64752/01, ELI:NL:XX:2007:BC0481 (Voskuil/Nederland), r.o. 65.
  6. EHRM 27 maart 1996, nr. 17488/91, ECLI:NL:XX:1996:AD2519 (Goodwin/UK); EHRM 15 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6890 (Financial Times Ltd/UK); EHRM 25 februari 2003, nr. 51772/99 (Roemen & Schmitt/Luxemburg).
  7. EHRM 5 oktober 2017, nr. 21272/12, ECLI:CE:ECHR:2017:1005JUD002127212 (Becker/Noorwegen), m. nt. mr. W.F. Korthals Altes, par. 5.
  8. EHRM 5 oktober 2017, nr. 21272/12, ECLI:CE:ECHR:2017:1005JUD002127212 (Becker/Noorwegen), m. nt. mr. W.F. Korthals Altes, par. 13.
  9. C.H. Brants, ‘Het journalistieke privilege in Nederland: hoe zinvol en wenselijk is een wettelijke regeling?’, DD 2008/25, p. 7.
  10. C.H. Brants, ‘Het journalistieke privilege in Nederland: hoe zinvol en wenselijk is een wettelijke regeling?’, DD 2008/25, p. 7.
  11. Zie nieuwsbericht De Volkskrant: https://www.volkskrant.nl/recensies/justitie-ziet-geen-heil-in-wet-bronbescherming~a946696/ (laatst geraadpleegd: 26 februari 2018)
  12. Kamerstukken II 2017/2018, 34032, 24, p. 1 (algemene kamerbehandeing).
  13. Stemmingsoverzicht betreffende Wetsvoorstel 34032, d.d. 6 februari 2018.
  14. Kamerstukken II 2014/2015, 34032, 3, p. 12 (memorie van toelichting).
  15. EHRM 22 november 2012, nr. 39315/06, ECLI:NL:XX:2012:BY6026, m. nt. E.J. Dommering (Telegraaf Media/Nederland).
  16. Kamerstukken II 2014/2015, 34032, 4, p. 8 (advies Raad van State).
  17. Kamerstukken II 2014/2014, 34032, 3, p. 9 (memorie van toelichting).
De Nederlandsche BankAllen & OveryDirkzwagerPels Rijcken
Baker McKenzieVan DoorneDLA PiperHVG Law LLP
Inloggenclose