Rechtsfilosofische en -sociologische kanttekeningen van ‘monopoly’ in de praktijk

Vorige artikel | Volgende artikel

Ik sprong zowaar drie gaten in de lucht toen ik na vele onbeantwoorde mailtjes dan eindelijk een uitnodiging voor een hospiteeravond te Utrecht ontving. Dat het aanbod een kamer betrof van een schamele 5m2 voor 500 euro per maand nam ik op dat moment maar voor lief. Ook de waarschuwingen tegen de immer chagrijnige, inwonende huurbaas stonden mijn geluk niet in de weg. Gelukkig heb ik, middels een afwijzing weliswaar, aan deze malafide huisjesmelker kunnen ontsnappen. Helaas weet echter lang niet iedereen te ontkomen aan huisjesmelkerij – het verhuren van slechte woningen tegen enorm hoge prijzen. Over de onwenselijkheid van dit fenomeen valt voor vele mensen niet te twisten, maar wat valt er eigenlijk te zeggen over de rechtvaardigheid van dien?

H.L.A. Hart

Voor het beantwoorden van deze vraag worden allereerst de ideeën van H.L.A. Hart (1907-1992) geraadpleegd. Deze Britse rechtsfilosoof was onder meer hoogleraar in jurisprudentie aan de Oxford University, maar staat vooral bekend om zijn bijdrage aan de rechtsfilosofie.1Hart wordt tevens gezien als grondlegger van het wetspositivisme; een theorie die er onder meer vanuit gaat dat het recht een sociale creatie betreft en dat recht en moraal conceptueel gescheiden zijn.2Hart heeft in zijn tijd meerdere toonaangevende werken uitgebracht, maar zijn boekThe Concept ofLaw, dat door vele wordt gezien als het belangrijkste werk voor de rechtsfilosofie uit de 20eeeuw, vormt hierbij zonder twijfel het kopstuk.3

InThe Concept ofLawzet Hart onder andere zijn visie op het rechtssysteem uiteen. Volgens hem bestaat het recht uit primaire regels enerzijds en secundaire regels anderzijds. Primaire regels omvatten de regels die gebieden en verbieden; ze hebben dus als doel om bepaald gedrag te genereren bij wie aan deze regels ten onderwerp vallen. In de moderne wereld kunnen deze primaire regels op zichzelf echter geen volwaardig rechtssysteem vormen. Om deze primaire regels toch te laten functioneren in een pluriforme, veranderlijke samenleving zijn ingevolge Hart secundaire regels vereist. Deze regels definiëren bijvoorbeeld de reikwijdte van de primaire regels en staan flexibiliteit in het ontstaan en vervallen van deze regels toe.4

Bovendien stelt Hart dat er geen sprake is van een noodzakelijke relatie tussen recht en moraal. Deze kunnen immers gescheiden van elkaar bestaan.5Met deze scheidingsthese geeft Hart een tegengeluid aan het natuurrecht; een rechtsopvatting die er vanuit gaat dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen recht en moraal. Het recht behoort namelijk een weerspiegeling te vormen van de moraliteitsstandaarden die door de ‘natuur’ gegeven zijn. Daarom hangt de legitimiteit van het recht samen met de mate waarin het overeenstemt met de hogere beginselen van rechtvaardigheid en moraliteit.6Volgens Hart vereist legitiem recht daarentegen enkel een juridisch geldige totstandkoming op basis van een van de secundaire regels, namelijk de herkenningsregel.

Moraal betekent voor Hart echter niet hetzelfde als rechtvaardigheid. Waar moraal op een beoordeling van goed en kwaad berust, gaat rechtvaardigheid volgens Hart over gelijke behandeling, mits deze op zijn plek is. Een rechtvaardige toepassing van het recht hoeft dusniet samen te hangen met de morele kwaliteit van het recht, maar vereist enkel een correcte toepassing van het positieve recht.7

Wanneer Harts theorie als maatstaf wordt gehanteerd bij de beoordeling van huisjesmelkerij als rechtvaardige praktijk, is het van belang eerst te kijken naar het positieve recht. Of er sprake is van enige rechtvaardiging hangt namelijk af van een correcte toepassing van de algemene regel. Hieruit volgt dat huisjesmelkerij wel degelijk gerechtvaardigd kan worden, aangezien er geen primaire regel bestaat die dit expliciet verbiedt. Daarentegen kent de wet primaire regels die voorzien in het recht op eigendom en het beginsel van contractsvrijheid.8In de kwestie rondom rechtvaardigheid lijken Harts ideeën derhalve in het voordeel van huisjesmelkers te werken. Of zijn opvattingen over de scheiding tussen recht en moraal standhouden in de echte wereld is maar de vraag. Is het namelijk juist dat slechts geldend recht legitiem is, zelfs wanneer het niet volstaat om belangrijke maatschappelijke belangen te behartigen – het voorkomen van misbruik van de woningnood en zodoende nog meer schaarste te genereren? Hoewel eenHartiaanseblik op rechtvaardigheid de rechtszekerheid bevordert, biedt deze niet de meest inclusieve kijk hierop.

OliverWendellHolmes

Wellicht valt er een bevredigender antwoord te vinden in de theorie van de grondlegger van het rechtsrealisme; OliverWendellHolmes (1841-1935). Naast zijn bijdrage aan de rechtsfilosofie, was Holmes ook advocaat, professor aan de HarvardLawSchool en rechter.9 Tijdens zijn indrukwekkende carrière heeft Holmes ook meerdere invloedrijke werken geproduceerd, waaronder het boekThe CommonLawen het artikel ‘ThePathoftheLaw’.10

Met zijn, in die tijd, radicale ideeën zette Holmes zich af tegen het toenmalige dominante rechtsformalisme.11Deze rechtstheorie stelt dat antwoorden op rechtsvragen altijd te vinden zijn in het positieve recht of in diens onderliggende beginselen. De legitimiteit van het recht zou zodoende gebaseerd zijn op tradities en rechtspraak uit het verleden, en de formalistische rechtswetenschap op het vinden en beschrijven van het ideale rechtssysteem. Holmes gaat hier echter tegenin door te stellen dat het recht niet (alleen) bestudeerd moet worden vanuit boeken (lawinbooks),maar vanuit de rechtspraktijk(lawin action).Het positieve rechtssysteem, zoals gecodeerd in de wetboeken, komt immers pas tot leven, wanneer het juridische toepassing vindt in de praktijk. Rechterlijke uitspraken kunnen hierin namelijk in grote mate invloed uitoefenen op de maatschappij. Volgens Holmes is het daarom van belang dat de rechtswetenschap een toekomstperspectief aanneemt en hierbij de mogelijke maatschappelijke gevolgen van juridische vraagstukken en rechterlijke beslissingen in kaart poogt te brengen.12

Opvallend is verder de manier waarop Holmes naar het verband tussen recht en moraal kijkt. Ingevolge Holmes dient het recht namelijk gescheiden van het moraal te worden bestudeerd. Dit onderbouwt hij met de stelling dat recht bestaat uit “thepropheciesofwhatthecourtswilldo infact,andnothingmore pretentious.”13Bovendien meent Holmes dat objectieve morele maatstaven ontbreken, waar het recht aan kan worden getoetst. Hierdoor beschouwt hij een valide studie naar de rechtvaardigheid van het recht als onmogelijk. Als alternatief biedt hij het toetsen van het recht aan diens doelmatigheid. Het recht is er volgens hem immers voor gemaakt om zoveel mogelijk maatschappelijke doeleinden te realiseren,zoals die uit de actuele politiek voortvloeien. De effectiviteit en legitimiteit van het recht hangt dan dus samen met diens capaciteit om maatschappelijke doelen en wensen binnen de samenleving te vervaardigen.14

De ideeën van Holmes brengen een ander kader om naar de rechtvaardigheid van huisjesmelkerij te kijken; rechterlijke beslissingen zijn gerechtvaardigd, wanneer deze in lijn zijn met actuele maatschappelijke doelen en wensen. De vraag rijst dan wat de gevolgen van huisjesmelkerij zijn met betrekking tot het behartigen van actuele maatschappelijke belangen. Hiervoor is het eerst vereist te weten wat er in de huidige samenleving speelt. In de context van huisjesmelkerij komen twee belangrijke, maar rivaliserende belangen naar voren; economische vrijheid enerzijds en wonen anderzijds. Beidenzijn relevant, dus om te kunnen beoordelen welk belang in dit geval een gerechtvaardigde prioriteit is, zouden we de actuele politieke agenda moeten raadplegen.15Met het oog op de huidige woningnood volgt hieruit dat het belang om te wonen prevaleert op hetmaatschappelijkedoelenlijstje. Op grond van Holmes’ rechtstheorie kan derhalve geconcludeerd worden dat huisjesmelkers niet rechtvaardig handelen ten tijde van de huidige woonproblematiek.

Max Weber

Tot slot wordt de onorthodoxe theorie van Max Weber(1864-1920), een Duitse socioloog en econoom, behandeld. Weber wordt weliswaar beschouwd als een van de bekende grondleggers van de sociologie.16InDieprotestantischeEthikundderGeistdesKaptalismusbespreekt hij zijn revolutionaire theorie omtrent het verband tussen de geest van het kapitalisme en religie – voornamelijk de protestantse ethiek.17Hoewel Weber stelt dat in het Westen een ‘onttoveringvan de wereld’ – doelend op de secularisering van de maatschappij – plaatsvindt, erkent hij de evidente rol van de religieuze stromingen van dien voor ons huidige economische systeem, namelijk het kapitalisme.18Deze controversiële these kwam tot stand door de opmerkelijke welvaartsgroei onder landen met veel aanhang in het protestantse geloof en het besef dat deze aanhangers prominente rollen innemen binnen grote bedrijven.19Volgens Weber is de handelsgeest dat voortkomt uit de strengere stromingen binnen de protestantse religie hiervoor verantwoordelijk.

Enerzijds onderscheidt de onverbiddelijke handelsgeest – voortvloeiend uit de protestantse ethiek – de gelovigen van een gedeelte van de samenleving, anderzijds vormt deze arbeidsethos de moderne kapitalistisch geest in de Westerse cultuur, waar het onstuitbare proces van secularisering zich voordoet. De vrijzinnige samenhang tussen het kapitalisme en het protestantse geloof is verklaarbaar vanuit de predestinatieleer ervan: ‘Door het besluit van God zijn, terbetoningvan Zijn heerlijkheid, sommige mensen (…) voorbestemd tot het eeuwige leven en anderen voorbeschikt tot de eeuwige dood’.20Hoewel dit inhoudt dat verlossing niet berust op het handelen van de mensheid – enkel op het oordeel van God, werd er gepoogd om enige zekerheid te verkrijgen omtrent de eigen heilspositie door onafgebroken beroepsarbeid.21Een morele verplichting om bij de beroepsuitoefening een toegewijde werkmentaliteit te hanteren wordt hieruit afgeleid. Hierdoor heerste de opvatting dat op deze manier uiting gegeven kon worden aan het geloof.22Hoewel het westerse economische stelsel erop gericht is om voorbij de materiële behoefte te verdienen zodoende winst te maken binnen een bedrijf, weerhoudt de religieuze stroming zich van het genot van een luxueuze levensstijl.23Het verdiende geld wordt hierdoor op zijn beurt in een onderneming gestopt om daaruit wederom investeringen te realiseren. Dit arbeidsprocesgaat niet langer om het voorzien in materiële behoeftes, maar slechts om het verdienen van zoveel mogelijk geld – en voilà ‘de geest van het kapitalisme’ is geboren.24Deze ascetische ethiek vormt hierdoor in combinatie met de harde werkinstelling een noodzakelijke voorwaarde voor het moderne kapitalisme in de huidige Westerse samenleving, waarin wij ons verkeren, om zich verder te ontwikkelen. De Westerse beroepspraktijk heeft derhalve zijn oorsprong te danken aan het protestantse arbeidsethos – strokend met de wil van God die verbetering van onze fysieke wereld beaamt.

De praktijk van huisjesmelkerij kenmerkt zich door de accumulatie van kapitaal voor de particuliere pandbeheerders.25De huisvesting geschiedt immers om winst te vergaren en te maximaliseren. Hoewel dit in het voordeel werkt voor de reguliere huisjesmelkers, betaalt de huurder de kosten hiervan. Het is hierdoor evident dat huisjesmelkers handelen in de ‘geest van het kapitalisme’. Ondanks dat slachtoffers van deze ondernemers hierdoor gebukt gaan onder veel zorgen, doen lokale wetgevers tekort om deze wanpraktijken aan banden te leggen.26De vanzelfsprekendheden van het kapitalisme komen echter steeds meer op de politieke agenda te staan. Dit blijkt uit de aanhoudende roep van de samenleving op het huidige woonbeleid.27Dat de handelspraktijk niet ethisch verantwoord is, komt als kritiekpunt vele malen naar voren bij minder kapitaalkrachtige pandbewoners.28Alhoewel de pandeigenaren als enige uitkomen als winnaar van het huisvestingstekort, handelen zij in overeenstemming met de arbeidsethiek uit het welbekende protestantisme. De al dan niet verdienende kritiek op hen doet namelijk niet af aan hun harde, succesvolle aanpak om voorbij de materiële levensbehoefte te verdienen. Of uit deze mentaliteit uiteindelijk blijkt of Goddelijke, eeuwige zaligheid aan hen toekomt, blijft weliswaar een onbeantwoorde vraag. Wat reeds bekend is, zijn de sporen van de protestantse levensstijl in de bedrijfstak van de huisjesmelker – ervan uitgaande dat Webers theorie correct is.

Conclusie

Al met al kan geconcludeerd worden dat de rechtvaardiging van het hedendaagse ‘landjepik’ met de gevolgen van dien sterk afhangt van de desbetreffende rechtsfilosofie en -sociologie. Enerzijds laat de theorie van Hart oneerlijke praktijken in de samenleving toe, omdat in een rechtssysteem het noodzakelijke verband tussen recht en moraal ontbreekt. Anderzijds weerhoudt Holmes’ opvatting van het recht pandeigenaren bij het vullen van hun zakken op de huizenmarkt. Aan de hand van de doelmatigheidstoets prevaleert namelijk het belang van voldoende woongelegenheid boven de economische belangen. Bovendien past de attitude van de op geld beluste ondernemers met ‘de geest van het kapitalisme’ –wat volgens Weber voortvloeit uit de door protestanten gehanteerde ascetische arbeidsethiek


 

Bronnen:

  1. Brittanica,https://www.britannica.com/biography/H-L-A-Hart

  1. K. E. Himma, ‘Inclusive Legal Positivism’ in J. ColemanenS. Shapiro,The Oxford Handbook of Jurisprudence and Philosophy of Law, Oxford: Oxford University Press 2002, p. 125.

  1. H.L.A. Hart,The Concept of Law,Oxford: Oxford University Press 1961.

  1. H.L.A. Hart,The Concept of Law,Oxford: Oxford University Press 1961, p. 81-94.

  1. H.L.A. Hart, ‘Positivism and the Separation of Laws and Morals’,Harv. L. Rev.1958.

  1. J. Finnis, “Natural Law:theClassical Tradition” in J. ColemanenS. Shapiro,The Oxford Handbook of Jurisprudence and Philosophy of Law, Oxford: Oxford University Press 2002.

  1. H.L.A. Hart,The Concept of Law,Oxford: Oxford University Press 1961, p.158-159.

  1. Art. 5:1 BW eigendom in het algemeen.

  1. A. Hol, ‘Oliver Wendell Holmes’,Ars Aequi2010, p. 364.

  1. O.W. Holmes,The Common Law,Boston: Little, brown and company 1880; O.W. Holmes, ‘The Path of the Law’,Harv. L. Rev.1897/10.

  1. M. LA Torre, “The Hierarchical Model and H.L.A. Hart’s Concept of Law”,RevusJ. Const.Theory& Phil.Law2013, p. 141-145.

  1. O.W. Holmes, ‘The Path of the Law’,Harv. L. Rev.1897/10, p. 457.

  1. Idem, p. 461.

  1. Idem, p. 469.

  1. Marc van den Eerenbeemt en TomKreling‘Zij organiseren het Woonprotest inAmsterdam:’elkedag eist de wooncrisis meer slachtoffers’’ Parool, 5 september 2021.

  1. G. RitzerenJ.Stepnisky, ‘Major social theorists’, Oxford: Blackwell publishing 2011, p. 307-309.

  1. Max Weber,DieprotestantischeEthik.EineAufsatzsammlung. Tübingen: Verlag J.C.B. Mohr 1920.

  1. G.Blaustein, ‘Deonttovenaarvan de wereld’, De Groene Amsterdammer 17 juni 2020.

  1. G. Weerheim, ‘Max Weber en het arbeidsethos van het protestantisme’, CDV 2013, p. 174-176.

  1. G. van Rongen, DE WESTMINSTER CONFESSIEmet de Grote en de Kleine Catechismus,Barneveld 1986, p.75.

  1. G. van Rongen, DE WESTMINSTER CONFESSIEmet de Grote en de Kleine Catechismus,Barneveld 1986, p.84.

  1. G. RitzerenJ.Stepnisky, ‘Major social theorists’, Oxford: Blackwell publishing 2011, p. 305-307.

  1. G. Weerheim, ‘Max Weber en het arbeidsethos van het protestantisme’, CDV 2013, p. 175-178.

  1. L.Dogson, ‘Monopoly is niet bedoeld als gezelschapsspel – de frustratie die zit ingebakken is bedoeld als antikapitalistische les’, Business Insider 31 december 2018.

  1. M. Pilon, ‘The secret history of Monopoly: the capitalist board game’s leftwing origins’, The Guardian 11april2015.

  1. E. Hofman, E. de Vos en M.Zaat, ‘Nu écht nofuture?’, De Groene Amsterdammer 8 september 2021.

  1. M. De Ruiter, ‘Zeker 15 duizend mensen Woonprotest, arrestaties waren ‘smet op goed verlopen dag’, De Volkskrant 12 september 2021.

  1. E. Hofman, E. de Vos en M.Zaat, ‘Nu écht nofuture?’, De Groene Amsterdammer 8 september 2021.

 

 

Kennedy van der LaanDe Nederlandsche BankPels RijckenTaylor Wessing
HVG Law LLPDLA PiperVan DoorneBaker McKenzie
Inloggenclose